Visies rond kwaliteit

    Inhoud

    1. Waarom een visie?
    2. De gangbare visie
    3. Gewaseigenheid
    4. Groei, rijping en doordringing
    5. Naamgeving

    Waarom een visie?

    Bij telen van kwaliteitsproducten is er altijd een visie nodig van waaruit gewerkt wordt. Een kort overzicht over benaderingswijzen.

    De gangbare visie

    het product bevat veel voor de mens belangrijke stoffen

    Bij voedingskwaliteit is de gangbare visie dat de mens eiwit, koolhydraten, mineralen, vitamines en dergelijke nodig heeft. Per stof is globaal een hoeveelheid vast te stellen. De mate van aanwezigheid van de verschillende noodzakelijke bestanddelen bepalen de voedingskwaliteit van een product. In deze studie wordt niet van deze benadering van voedingskwaliteit uitgegaan. De mens is geen verzameling losse bouwstenen.

    Gewaseigenheid

    luisteren naar de plant

    Vaak wordt als goede voedingskwaliteit gezien een product waarvan het gewas naar zijn eigen aard heeft kunnen groeien. Zie bijvoorbeeld Essink en Doesburg, 2016 blz 51. Dit is al een heel andere benadering dan de voorgaande “essentiële stoffen” benadering, maar is nog niet te vertalen richting veredeling en selectie van gewassen naar voeding. Wel al naar wijze van bodem- en gewasverzorging. De aandacht is puur op de plant gericht.

    Groei, rijping en doordringing

    Niet alleen de plant, maar ook de mens

    Bij de vraag wat voedingskwaliteit is komen steeds weer de begrippen groei en rijping naar voren, maar ook de vraag of er, wanneer het gaat om voeding van de mens nog een derde geheel eigen kwaliteit moet worden onderscheiden namelijk de doordringing van beide.De basis hiervan werd al heel lang geleden gelegd door Goethe. Hij ging niet direct op voedingskwaliteit in, maar hij was wel de eerste die er op wees dat de plant een levend geheel is van door elkaar werkende wetmatigheden. Rudolf Steiner wees erop dat de herkomsten van de wetmatigheden verschillende bronnen hebben: aarde en kosmos. Het was Thomas Gobel (1969) die als eerste wees op het belang van deze manier van kijken voor de menselijke voeding. Jochen Bockemühl (1983) is hier op doorgegaan en introduceerde het begrip “Durchdringung”. In Nederland heeft Liesbeth Bisterbosch (1983, 1994) hier veel aan gewerkt en het begrip vooral bij sla en tarwe meer concreet gemaakt. Joke Bloksma werkte bij appel aan het begrip doordringing en noemde het integratie (Bloksma, 2002). Bij wortel werkte een team onder leiding van Martin Northolt aan de begrippen groei, integratie, differentiatie (Northolt e.a., 2004).

    Met deze aanpak zijn twee doelen bereikt. Enerzijds is de brug plant – mens geslagen, anderzijds is het een benaderingswijze die richting geeft aan de wijze waarop gewassen geteeld, veredelt of geselecteerd kunnen worden. De gezondheid van de mens, de smaak van het product en een evenwichtige groei van de plant met weerstand tegen plantenziekten vormen een geheel. Er is een samenhang bodem, plant, dier mens.

    De relatie naar de praktijk wordt bij de onderwerpen teelt en product in het menu verder uitgewerkt.

    Naamgeving

    Groei, doordringing en rijping worden sedert het midden van de 20e eeuw door diverse onderzoekers gebruikt. In het onderzoek van het Louis Bolk Instituut vanaf de jaren 90 van de 20e eeuw worden de begrippen groei, integratie en differentiatie gebruikt. Het blijkt dat de landbouwpraktijk de begrippen integratie en differentiatie moeilijk oppakt, maar in de wetenschappelijke literatuur wel geaccepteerd worden. Het begrip rijping is bij vruchten en producten als graan en kaas heel duidelijk, bij veel andere producten ligt dat wat minder makkelijk. De goede woorden moeten misschien nog gevonden worden. Belangrijk is dat datgene wat bedoeld wordt wel duidelijk is. Het gaat om de plantontwikkeling. Voedingsplanten kennen in hun ontwikkeling verschillende stadia. Door verkeerde groeiomstandigheden (te zware bemesting, ziekten, verkeerde veredeling) kunnen bepaalde stadia van de ontwikkeling gaan overheersen. Dat gaat ten kosten van de kwaliteit.